Zoek

Werkgroep Erfelijke Tumoren van het Erasmus MC zet onderzoekslijnen op een rijtje

Het wetenschappelijk onderzoek van de Werkgroep Erfelijke Tumoren van het Erasmus MC Kanker Instituut richt zich op verbetering van de begeleiding en behandeling van vrouwen uit families met erfelijk borst- en/of eierstokkanker. De werkgroep heeft haar onderzoekslijnen voor u op een rijtje gezet.

 

1: Preventieve maatregelen en vroege diagnose
Vrouwen die draagster zijn van een mutatie in één van de twee borstkankergenen BRCA1 en BRCA2 hebben een hoog risico op het krijgen van borstkanker (60-80% voor het 70e levensjaar) en/of eieistokkanker (30-60% voor BRCA1 mutatiedraagsters en 6-35% voor BRCA2 mutatiedraagsters), vaak al op jonge leeftijd. Vanwege het hoge borstkankerrisico worden BRCA1/2 mutatiedraagsters vanaf 25-jarige leeftijd intenstief gecontroleerd. Deze screening bestaat uit een jaarlijkse MRI aangevuld door lichamelijk onderzoek door een arts. Vanaf 30-jarige leeftijd komt daar nog een jaarlijkse mammografie bij.

Gevoelige screeningsmethode
In het verleden hebben we in de MRISC studie laten zien dat MRI een meer gevoelige screeningsmethode is dan mammografie. Bovendien worden tumoren met behulp van MRI in het algemeen in een vroeger stadium gevonden waardoor de vooruitzichten na de diagnose beter zijn. Deze resultaten hebben ertoe geleid dat in Nederland en in vele andere Westerse landen MRI tegenwoordig de standaard screeningsmethode is voor BRCA1/2 mutatiedraagsters. Momenteel wordt in de zogeheten FaMRIsc studie onderzocht of vrouwen met een familiaire belasting (maar zonder BRCA1 of BRCA2 mutatie) beter gescreend kunnen worden met mammografie of met MRI afhankelijk van de dichtheid van het borstklierweefsel.

Gezonde borsten uit voorzorg verwijderen
Met screening wordt borstkanker echter niet voorkomen. BRCA1/2 mutatiedraagsters kunnen hun risico op het krijgen van borstkanker verminderen door uit voorzorg gezonde borsten te laten verwijderen. In een eerdere studie hebben we laten zien dat dit voor gezonde mutatiedraagsters een zeer effectieve manier is om borstkanker te voorkomen. In vergelijking met screening lijkt deze aanpak te resulteren in een betere overleving. Momenteel onderzoeken we in een grote landelijke studie of we deze resultaten kunnen bevestigen. Voor BRCA1/2 mutatiedraagsters die al eerder borstkanker hebben gehad, hebben we aangetoond dat preventieve verwijdering van de andere, gezonde borst niet alleen het krijgen van borstkanker in de andere borst voorkomt, maar dat dit ook leidt tot een betere overleving. 

Eierstokken en eileiders uit voorzorg verwijderen
Het risico op eierstokkanker wordt verminderd door uit voorzorg de eierstokken en eileiders te laten verwijderen. Lang is aangenomen dat hierdoor ook het borstkankerrisico wordt gehalveerd. Recent hebben wij echter laten zien dat de in eerdere berekeningen gebruikte analysemethoden mogelijk van invloed zijn geweest op de uitkomsten. Met een aangepaste analysemethode vonden we geen bewijs voor een vermindering van het borstkankerrisico na verwijdering van de eierstokken. Binnenkort start een landelijke studie waarin we gaan onderzoeken wat de invloed is van eierstokverwijdering bij BRCA1/2 mutatiedraagsters die eerder borstkanker hebben gehad op het krijgen van een tweede borstkanker en op de overleving.

Werkgroep Erfelijke Tumoren

2: Chemotherapie bij borst- en ovariumkanker patiënten met een BRCA1/2 genmutatie
In het verleden hebben we aangetoond dat BRCA1 en in het bijzonder BRCA2 mutatiedraagsters met uitgezaaide borstkanker beter reageren op anthracycline-bevattende chemotherapie dan borstkankerpatiënten zonder BRCA1/2 mutatie. Dit resulteert in een langere ziektevrije periode en betere overleving. Ook bleken BRCA1, maar vooral BRCA2 mutatiedraagsters met eierstokkanker beter te reageren op met name platinum-bevattende chemotherapie en langer te overleven dan eierstokkankerpatiënten zonder BRCA1/2 mutatie. Momenteel onderzoeken we of de locatie van de mutatie op het BRCA1 en BRCA2 gen invloed heeft op de gevoeligheid voor platinum-bevattende therapie en de overleving van patiënten met eierstokkanker. Verder lijkt voor BRCA1/2 mutatiedraagsters het risico op borstkanker kleiner na eierstokkanker dan voor BRCA1/2 mutatiedraagsters zonder voorgeschiedenis van eierstokkanker, mogelijk door behandeling met chemotherapie. Momenteel zoeken we naar bevestiging van deze laatste bevinding in een grotere landelijke studie.

3: Risico voorspelling en vooruitzichten van contralateraal borstkanker
Vrouwen die eerder borstkanker hebben gehad kunnen daarna borstkanker in de andere (contralaterale) borst ontwikkelen. Gemiddeld is het risico hierop 15% gedurende de rest van hun leven, maar voor patiënten met een BRCA1 of BRCA2 mutatie kan dit risico oplopen tot wel 60%. Maar ook door andere factoren kan het risico op het krijgen van contralateraal borstkanker voor individuele borstkankerpatiënten sterk verschillen. Dit is afhankelijk van de leeftijd waarop de eerste borstkanker werd ontdekt, de behandeling met chemotherapie of hormonale therapie en het subtype van de eerste borstkanker (bijv. wel/niet hormoongevoelig of wel/geen receptor voor Her2). Om op individueel niveau in te kunnen schatten wat het risico is voor het ontwikkelen van contralateraal borstkanker, zijn goede risicoschattingen nodig. We onderzoeken momenteel de impact van patiëntkenmerken, tumorkenmerken en de verschillende behandelingen op het risico op contralateraal borstkanker. Met deze kennis kunnen we - in overleg met de patiënt - gepersonaliseerde behandelingschema's en adviezen over eventuele preventie maatregelen geven. 

4: Identificatie van genen die geassocieerd zijn met borst- en eierstokkanker
Na de identificatie van de genen BRCA1 (1994) en BRCA2 (1995) zijn er geen andere genen gevonden die bij een mutatie eenzelfde sterk verhoogd risico op borst- en eierstokkanker laten zien. In nauwe samenwerking met nationale en internationale consortia wordt nu gezocht naar veranderingen in andere genen die een minder sterk verhoogd risico op borst- of eierstokkanker hebben. 

bron