Zoek

Vaker maagkanker bij langdurig gebruik protonpompremmers

maagkanker


Protonpompremmers werken geweldig, maar ze verhogen de kans op allerlei vervelende aandoeningen. Zelfs de kans op maagkanker. Het gaat om kleine absolute risico’s, maar artsen doen er goed aan hun chronische gebruikers ertoe aan te zetten te stoppen.

‘Tweeëneenhalf keer een heel kleine kans is nog steeds een heel kleine kans’, zegt Niek de Wit, hoogleraar huisartsgeneeskunde aan het UMCU. Hij heeft het over de verhoogde kans op maagkanker bij gebruik protonpompremmers na eradicatie van Helicobacter pylori, zoals die uit een studie van Ka Shing Cheung naar voren kwam (Gut, 2017). Eerder al stelde An Tran-Duy een dergelijk verband vast, in een meta-analyse (Clinical Gastroenterology Hepatology, 2016) waar ook De Wit aan meewerkte. Deze groep Nederlandse onderzoekers was destijds nog iets voorzichtiger: zij konden niet uitsluiten dat het gevonden verband tussen maagkanker en chronisch gebruik van protonpompremmers (PPI’s) mede door toedoen van Helicobacter  zou komen. De Wit: ‘Wij wisten niet of bij de patiënten sprake was een van een H. pylori-infectie, of dat zij hier ooit voor behandeld waren. Dat is van belang, omdat we weten dat de aanwezigheid van H. pylori de kans op maagkanker ongeveer vier keer verhoogt.’

Cheung en de zijnen hebben gepoogd om die verstorende factor weg te vangen, door alleen te kijken naar met H. pylori geïnfecteerde patiënten die tussen 2003 en 2012 een eradicatiekuur ondergingen. Vervolgens gingen zij na of deze mensen nadien nog maagmedicatie gebruikten, en zo ja: welke en hoelang. Daaruit bleek dat degenen die PPI’s gebruikten, de hoogste kans op het ontwikkelen van maagkanker hadden (HR 2,4) in vergelijking met mensen die niets slikten. Patiënten die histamine-2-receptorantagonisten (H2RA) gebruikten, hadden geen hogere kans op kanker. Hoe hoger de frequentie en hoe langer het PPI-gebruik, hoe hoger de kans op maagkanker. De onderzoekers probeerden zo goed mogelijk te corrigeren voor mogelijke verstorende factoren, zoals alcoholgebruik, roken, comorbiditeit en andere medicatie.

Desondanks valt residual confounding (verstoring door onbekende factoren waarvoor niet is gecorrigeerd) niet uit te sluiten, zegt De Wit: ‘De verschillen tussen de mensen die na eradicatie PPI’s gebruikten, en de rest, waren behoorlijk groot. Ze gebruikten bijvoorbeeld veel vaker statines en aspirine, hadden vaker diabetes en hart- en vaatziekten. Mogelijk hebben andere factoren het verhoogde risico op maagkanker mede bepaald. Ondanks die kanttekening is het verband vrij consistent, doordat er ook een verband tussen dosis en effect is. Voor mij staat wel vast dat het verband reëel is. Het goede nieuws is dat het in absoluut opzicht een zeer kleine kans blijft.’ De auteurs rekenen zelf voor dat chronisch gebruik van PPI’s 4,3 extra gevallen van maagkanker oplevert per 10.000 persoonjaren (bijvoorbeeld 2500 mensen die vier jaar slikken).

Maar een kleine kans maal een heleboel gebruikers is dan wel weer relevant, zegt De Wit: ‘Rond de twee miljoen Nederlanders gebruiken PPI’s, en we weten dat bij een groot deel van hen er helemaal geen indicatie voor chronisch gebruik is, of niet méér is. Daar moeten we echt wat mee, want uit zichzelf wordt dat niet minder. Hou ouder de bevolking, hoe meer mensen maagklachten krijgen en medicatie gebruiken waarvoor maagzuurremming nodig is. Toen de PPI’s net opkwamen, leken ze volkomen veilig. Nu weten we steeds beter dat ze allerlei nadelen hebben, zoals meer infecties, osteoporose, nierproblemen. Het lijkt mij goed als artsen elk jaar checken wie deze middelen chronisch gebruiken en of daar nog een indicatie voor is. Zo nee: dan moet je het gesprek aangaan met een patiënt en uitleggen waarom ze niet meer nodig zijn. Dat ze de fysiologie van de maag veranderen en dat dat niet helemaal zonder risico is. Vervolgens moet je ze uitleggen dat stoppen niet makkelijk zal zijn, omdat in eerste instantie de zuurproductie omhoog zal schieten. Met antacida of H2RA kun je die periode doorkomen. Volhouden is belangrijk.’

bron